Het mysterie van de prijs die niet zakt
De cijfers liegen niet. Sinds afgelopen zomer is de prijs van een vat Brent-olie flink gedaald. Waar een vat in januari nog ruim boven de 80 dollar deed, schommelt de prijs nu rond de 60 tot 65 dollar. In een eerlijke wereld zou je verwachten dat dit voordeel direct wordt doorgegeven aan de consument aan de pomp.
Toch zien we in de praktijk het tegenovergestelde. De tabel met gemiddelde landelijke adviesprijzen laat een pijnlijk beeld zien. In oktober betaalden we gemiddeld 1,938 euro voor een liter benzine, maar in november schoot dit omhoog naar 1,956 euro.
Voor dieselrijders is de klap nog harder. Daar steeg de prijs van 1,702 naar 1,769 euro in één maand tijd. De grondstof wordt goedkoper, maar het eindproduct wordt duurder. Het voedt het hardnekkige onderbuikgevoel dat automobilisten worden gebruikt als melkkoe om de winstmarges van grote bedrijven op te krikken.
De verdediging van de sector
De brancheorganisaties en pomphouders schieten direct in de verdediging als ze beschuldigd worden van zakkenvullen. Zij wijzen naar de explosief gestegen operationele kosten.
Het runnen van een tankstation is de afgelopen jaren veel duurder geworden. De energierekening voor de pompen en de verlichting, de gestegen lonen van het personeel en de hogere verzekeringspremies vreten aan de marge.
Volgens de sector zijn de netto winstmarges na aftrek van al deze kosten amper 3 tot 4 procent. Ze beweren dat de prijzen hoog blijven om het hoofd boven water te houden en niet om extra winst te maken. Toch verklaart dit niet waarom de prijsstijgingen vaak als een raket omhoog gaan, terwijl prijsdalingen als een veertje naar beneden dwarrelen.
We hebben geen fabrieken meer
Er is echter een dieperliggende en structurele oorzaak die vaak over het hoofd wordt gezien. Ruwe olie is in zijn pure vorm nutteloos voor je auto. Het moet eerst geraffineerd worden tot benzine of diesel. En precies daar zit de bottleneck.
In Europa sluiten steeds meer raffinaderijen hun deuren. Door strenge milieuheffingen, hoge CO2-belastingen en verouderde installaties is het voor energiereuzen niet meer rendabel om in West-Europa brandstof te maken.
In het Verenigd Koninkrijk zijn dit jaar alleen al twee grote locaties gesloten. De fabrieken die van die goedkope olie bruikbare benzine kunnen maken zijn er simpelweg niet meer genoeg.
Het gevolg is schaarste aan het eindproduct. We moeten nu kant-en-klare benzine en diesel importeren uit andere delen van de wereld. Dat is logistiek complexer en veel duurder dan zelf raffineren.
De goedkope ruwe olie is er wel, maar de capaciteit om het te verwerken ontbreekt. Hierdoor blijven de prijzen aan de pomp kunstmatig hoog, ongeacht wat de olieprijs op de wereldmarkt doet.
De conclusie is zuur
Voorlopig is de conclusie helder maar pijnlijk voor de Nederlandse automobilist. De prijs van ruwe olie mag dan dalen, maar door een gebrek aan lokale raffinagecapaciteit en de gestegen kosten in de keten zul jij daar voorlopig helemaal niets van merken.
De koppeling tussen de olieprijs en de benzineprijs is kapot. De tijd van goedkoop tanken lijkt, ondanks de dalende grondstofprijzen, definitief voorbij.
- Adobe Stock