Waarom je hoop op 'groene' benzine ijdele hoop is: de bizarre waarheid achter biobrandstof

Het lijkt de ideale ontsnappingsroute voor de petrolhead: gewoon blijven rijden met je verbrandingsmotor na 2035, maar dan op 'groene' biobrandstof. De realiteit is echter een stuk minder smakelijk. Om jouw auto op de weg te houden, is een hoeveelheid frituurvet nodig die simpelweg niet bestaat.

Waarom je hoop op 'groene' benzine ijdele hoop is: de bizarre waarheid achter biobrandstof

De illusie van de verbrandingsmotor-redder

Terwijl Brussel de duimschroeven aandraait voor de definitieve ban op fossiele auto's in 2035, vechten landen als Duitsland en Italië voor een achterdeurtje. Hun hoop is gevestigd op biobrandstoffen (zoals B100 en E85) en synthetische alternatieven.

Het klinkt als de perfecte oplossing: je gooit er een groen goedje in en je uitstoot is op papier nul. Zo kunnen we allemaal in onze vertrouwde bolides blijven rijden zonder het klimaat te slopen.

Toch prikt de milieuorganisatie Transport & Environment deze droom genadeloos door met harde cijfers. Om één enkele auto een jaar lang op biodiesel van afvalstromen te laten rijden, is het equivalent van de restolie van enorme bergen friet nodig.

De 'honger' van de auto-industrie naar vetten is zo groot, dat de wiskundige som nooit uitkomt. Het idee dat we massaal op afgewerkt frituurvet gaan rijden, blijkt in de praktijk een fabeltje.

25 kilo friet voor een tankbeurt

Om de schaal van het probleem te schetsen: de sector rekent met bizarre volumes. Voor het 'groen' laten rijden van één auto is jaarlijks een hoeveelheid afgewerkte olie nodig die gelijkstaat aan de productie van 25 kilo friet per auto.

Vermenigvuldig dat met het Europese wagenpark en je ziet direct het probleem. Europa frituurt veel, maar bij lange na niet genoeg om alle Volkswagens en Peugeots rijdend te houden.

Dit tekort creëert een gevaarlijke afhankelijkheid. Omdat we zelf niet genoeg afvalolie hebben, moeten we dit massaal importeren uit Azië, met name uit Indonesië en Maleisië. Dit leidt tot een perverse prikkel: de vraag is zo groot dat er op grote schaal wordt gefraudeerd.

'Gebruikte' olie blijkt bij controle vaak gewoon verse palmolie te zijn, die even is omgekat om als duurzaam afvalproduct door de douane te komen. De vermeende klimaatwinst verdampt hierdoor direct.

Vechten om de laatste druppel vet

Daarnaast is de automobilist niet de enige die aast op dit vloeibare goud. De luchtvaart en de scheepvaart staan vooraan in de rij voor biobrandstoffen. Voor een vliegtuig of containerschip zijn batterijen voorlopig geen optie, dus zij hebben die 'groene' olie keihard nodig om te verduurzamen. Het is logistiek en ethisch onhoudbaar om schaarse brandstoffen in een personenauto te gooien die ook prima elektrisch kan rijden.

Bastien Gebel, expert in de decarbonisatie van de auto-industrie, noemt het labelen van biobrandstofauto's als 'nul-emissie' dan ook "absurd". De prioriteiten liggen scheef. Als we de beperkte voorraad biobrandstof verbranden op de snelweg, blijft er niets over voor sectoren die geen alternatief hebben. Dit leidt tot een prijsopdrijvend effect waar niemand beter van wordt, behalve de handelaren in dubieuze olie.

Een dure doodlopende weg

De focus op biobrandstoffen voor personenauto's lijkt vooral een vertragingstactiek. Het houdt de illusie in stand dat er niets hoeft te veranderen aan ons rijgedrag of onze voertuigen.

De realiteit is echter dat de ketenuitstoot – het inzamelen, bewerken en verschepen van die olie – de milieuwinst grotendeels tenietdoet. Bovendien dreigt het indirect ontbossing aan te wakkeren omdat de vraag naar 'foute' verse olie stijgt door de fraude.

Voor de Nederlandse automobilist is de boodschap helder: gok niet op de verbrandingsmotor na 2035. De biobrandstof-route is een duur, frauduleus en inefficiënt geitenpaadje dat waarschijnlijk doodloopt. De toekomst is elektrisch, niet omdat Brussel dat leuk vindt, maar omdat de wereld simpelweg niet genoeg frituurvet heeft om ons allemaal te laten rijden.

Algemeen