Als je in de showroom tegen de deur van een nieuwe auto leunt, voelt het metaal soms meeveren. Dat is even schrikken als je het vergelijkt met auto’s uit de jaren zeventig en tachtig. Die voelden aan als onneembare vestingen. Mensen denken daarom vaak dat autofabrikanten bezuinigen op materiaal. Maar niets is minder waar: dit zachte ontwerp is juist een knap staaltje techniek om jouw leven te redden.
Van houten koets naar stalen tank
Om te snappen waarom dat zo is, moeten we even terug in de tijd. De allereerste auto's, eind 19e eeuw, leken qua bouw nog erg op koetsen. Ze hadden vaak een houten frame. Dat was licht, maar bij een botsing brak het hout in splinters.
Vanaf de jaren twintig nam staal het over. Tot ver in de jaren zeventig gold de regel: hoe meer staal, hoe beter. Auto’s werden gemaakt van dik, zwaar materiaal. Een grote Amerikaan uit 1950 of een Volvo uit 1975 gaf je een veilig gevoel. Bij een botsing bleef de auto vaak heel, met nauwelijks een krasje op de bumper.
Het probleem was alleen dat de inzittenden de klap vaak niet overleefden.
De harde natuurwetten
Op sociale media gaat op dit moment een video rond van Sherlock Learn (@learnwithsherlock). Hij is een expert in het simpel uitleggen van lastige wetenschap. In zijn video geeft hij antwoord op de vraag waarom ingenieurs auto's niet gewoon van keihard, onbuigzaam materiaal maken.
Zijn uitleg laat zien dat je niet om de natuurwetten heen kunt. Sherlock neemt als voorbeeld een gemiddelde auto die 96 kilometer per uur rijdt. De energie die op dat moment in de auto zit, is gigantisch: 540.000 Joule.
Om duidelijk te maken hoeveel dat is, maakt hij een angstaanjagende vergelijking: deze hoeveelheid energie is even groot als een val van de dertiende verdieping van een flatgebouw (37 meter hoogte).
Het gevaar van de sterke auto
Hier ontstaat het probleem. Bij een botsing moet al die energie ergens naartoe. Energie verdwijnt namelijk nooit zomaar; het verplaatst zich alleen.
Stel, je rijdt in zo'n onverwoestbare auto van dik staal die niet indeukt. Als je ergens tegenaan botst, staat de auto in één klap stil. Omdat het metaal niet vervormt, wordt de klap niet opgevangen door de auto. De volledige klap gaat direct door naar de inhoud van de auto: naar jou en je passagiers dus.
In een auto die heel blijft, krijgt jouw lichaam dus dezelfde klap te verwerken als een val van de dertiende verdieping. De auto overleeft het, maar jij niet.
Waarom je auto moet kreukelen
Ingenieurs hebben daarom de kreukelzone bedacht. Moderne auto's zijn zo ontworpen dat ze zichzelf opofferen. Sherlock rekent in de video voor wat dit betekent. Een moderne auto kan bij een zware crash ongeveer 65 centimeter in elkaar schuiven.
Die 65 centimeter lijkt weinig, maar het maakt een wereld van verschil. De auto gebruikt die ruimte om de klap op te vangen. Het staal en het plastic buigen en breken, en nemen zo de energie op. Hierdoor wordt de klap voor jou minder hard.
Het resultaat van deze rekensom? Dankzij de kreukelzone voelt de botsing voor je lichaam niet meer als een val van de dertiende verdieping, maar als een val van de derde verdieping. Dat is nog steeds een harde klap en je zult waarschijnlijk gewond raken, maar de kans dat je het overleeft is vele malen groter.
Conclusie
Het is natuurlijk enorm balen als je na een klein tikje al een deuk in je bumper hebt. Het voelt als een duur grapje en je verlangt misschien terug naar de tanks van vroeger.
Toch is die kwetsbaarheid precies waarvoor je betaalt. Als je naar een auto kijkt die na een ongeluk helemaal in elkaar zit, zie je eigenlijk dat de techniek zijn werk heeft gedaan. Het koekblik heeft de klap voor jou opgevangen. Wees dus blij met die deuk – het is de reden dat je het schadeformulier nog zelf kunt invullen.
- Adobe Stock