Geen heffing, wel een bodemprijs
De situatie was explosief. De EU had strafheffingen tot wel 35,3 procent ingesteld op Chinese auto's (bovenop de standaard 10%), omdat de Chinese overheid de productie oneerlijk zou subsidiëren. Merken als SAIC (MG) werden het hardst geraakt, terwijl BYD en Geely (Volvo/Polestar) er met respectievelijk 17 en 18,8 procent iets genadiger vanaf kwamen.
Maar nu is er een doorbraak. Volgens het Chinese Ministerie van Handel en CarNewsChina zijn beide partijen het eens geworden over "price undertakings". Dit betekent dat Chinese fabrikanten beloven hun auto's niet onder een bepaalde minimumprijs te verkopen in Europa. In ruil daarvoor vervallen waarschijnlijk de extra importheffingen.
De 'zachte landing'
Experts noemen het een "zachte landing". Voor fabrikanten is dit gunstig: ze hoeven geen geld af te dragen aan de douane, maar mogen die marge zelf in hun zak steken (of investeren in marketing/service), zolang de auto maar niet te goedkoop wordt aangeboden. De EU kan op haar beurt zeggen dat ze de eigen industrie (Volkswagen, BMW, Stellantis) beschermt tegen dumping.
Voor de consument is het effect echter hetzelfde: de Chinese prijsvechter wordt kunstmatig duurder gemaakt. De droom van een elektrische auto voor 20.000 euro uit China wordt hiermee effectief de nek omgedraaid, tenzij Europese merken die zelf gaan bouwen.
Wie betaalt de rekening?
De Europese Commissie moet de details nog uitwerken, maar de richting is duidelijk. Chinese merken die zich aan de regels houden, mogen de heffing ontlopen. Dit systeem voorkomt een verdere escalatie waarbij China wraak zou nemen op Europese exportproducten (zoals Franse cognac of Duitse luxewagens).
Het is een staaltje geopolitiek schaak waarbij de vrede bewaard blijft, maar de concurrentie wordt gesmoord. De Europese auto-industrie krijgt adempauze, China behoudt zijn toegang tot de markt, en de automobilist? Die betaalt de rekening, want echte prijsconcurrentie wordt aan banden gelegd.