Achtergrond

Na de overheid willen nu ook autofabrikanten zelf de topsnelheid van nieuwe modellen beperken

We maken ons druk om trajectcontroles en de 100-kilometergrens. Maar het echte gevaar voor de hardrijder komt van binnenuit. Autofabrikanten spelen openlijk met het idee om topsnelheden drastisch te verlagen en de reden is puur financieel.

Jesper Penninga
Fiat
Volvo
verkeersveiligheid
Na de overheid willen nu ook autofabrikanten zelf de topsnelheid van nieuwe modellen beperken

Vroeger was het simpel. Je kocht een Duitse auto en die was begrensd op 250 kilometer per uur. Dat was een gentlemen's agreement tussen fabrikanten om de pk-wedloop niet te laten escaleren.

Het had iets heroïsch. Je wist dat je auto harder kon, maar dat hij inhield uit veiligheid. Tegenwoordig lijkt die grens in vrije val geraakt. Steeds meer nieuwe modellen halen de 180 niet eens meer. En als het aan de baas van Fiat ligt, wordt het nog veel erger.

Olivier François, de CEO van Fiat, deed onlangs een uitspraak die bij elke autoliefhebber in het verkeerde keelgat schiet. Hij opperde het idee om zijn nieuwe modellen te begrenzen op 120 of zelfs 110 kilometer per uur. Niet om het milieu te redden, niet om levens te sparen, maar puur om de boekhouding kloppend te krijgen.

De dure veiligheidsparadox

Het klinkt tegenstrijdig, maar de drang naar veiligheid maakt auto's onbetaalbaar. De Europese Unie verplicht een waslijst aan rijhulpsystemen (ADAS) op elke nieuwe auto. Denk aan noodremsystemen, rijbaanassistentie en vermoeidheidsherkenning. Deze systemen moeten feilloos werken, ook bij hoge snelheden. En daar zit de crux.

Een sensor die een obstakel moet herkennen bij 160 kilometer per uur is vele malen duurder en complexer dan een sensor die dat bij 110 moet doen. De Fiat-topman redeneert simpel: als ik de topsnelheid verlaag, hoef ik geen dure high-tech sensoren te monteren. Voor een stadsauto die door jongeren wordt gebruikt is die dure techniek onzin, stelt hij. Hij wil de auto's goedkoop houden door ze langzamer te maken.

Het nieuwe normaal

Fiat staat hierin niet alleen. Volvo zette de trend in 2020 door al hun auto's, ongeacht het vermogen, te begrenzen op 180 kilometer per uur. Renault volgde met hun elektrische modellen.

De Megane E-Tech stopt bij 160 en de nieuwe R5 bij 150. Zelfs de sportieve modellen ontkomen er niet aan. De aankomende Peugeot e-208 GTI, een auto met bijna 300 pk, zal waarschijnlijk niet harder lopen dan 180.

Bij elektrische auto's speelt de actieradius natuurlijk een grote rol. Hard rijden vreet stroom. Maar de trend sijpelt nu ook door naar de budgetmodellen. De Dacia Spring haalt met moeite de 125. De Citroën ë-C3 stopt bij 135. Het lijkt erop dat we langzaam toegroeien naar een wereld waarin de auto zelf de beperkende factor is, en niet het bord langs de weg.

Het einde van de Duitse droom

Voor de Nederlandse automobilist, die overdag toch al vastzit aan de 100 kilometer per uur, lijkt dit geen ramp. Maar het principe steekt. Je koopt een product dat kunstmatig wordt beperkt om de fabrikant een paar tientjes te besparen. Het gevoel van vrijheid, het idee dat je even naar Duitsland kunt knallen, wordt je afgenomen.

De ironie is groot. Terwijl de overheid ons al in een keurslijf van 100 en 130 dwingt, voert de auto-industrie nu zelf nog strakkere grenzen in. Niet vanuit ideologie, maar vanuit kille economische noodzaak. De auto van de toekomst is niet alleen stiller en schoner, hij is vooral een stuk langzamer.