Het klinkt als het ultieme lockdown-project dat volledig uit de hand is gelopen. Sterling Backus, een ingenieur en natuurkundige uit Colorado, besloot zijn droomauto niet te kopen, maar te printen. Het doelwit was de Lamborghini Aventador.
Een auto die in het echt een half miljoen kost en gemaakt is van exotische materialen. Backus had echter geen budget van een oliesjeik. Hij had ongeveer 20.000 dollar, een stapel Amazon-bestellingen en een ijzeren wil.
Backus koos voor een route die velen voor onmogelijk hielden. Hij downloadde digitale 3D-modellen, maar in plaats van ze simpelweg te kopiëren, paste hij elk paneel aan. Dit deed hij niet alleen om de auto uniek te maken, maar ook om juridisch gedonder te voorkomen. Vervolgens hakte hij het ontwerp in duizenden kleine stukjes die pasten op zijn goedkope 3D-printers.
Plastic versterkt met koolstof
Wie denkt dat deze auto uit elkaar valt bij de eerste drempel, heeft het mis. Backus ontwikkelde een slimme methode die hij encapsulation noemt. De geprinte delen van PLA-plastic, hetzelfde spul waar goedkope prullaria van worden gemaakt, dienden slechts als mal.
Vervolgens werden deze delen bekleed met echt koolstofvezel en doordrenkt met epoxyhars. Hierdoor ontstond een carrosserie die niet alleen de juiste looks heeft, maar ook de structurele stijfheid bezit om hoge snelheden te weerstaan zonder te smelten in de zon.
Onder die hightech huid ligt een chassis dat Backus zelf laste van staal. De ophanging is een inboard cantilever-systeem, net als bij echte raceauto's. Het laat zien dat dit geen knutselproject is, maar een staaltje engineering van de bovenste plank.
Het hart van een Corvette
Natuurlijk kun je een verbrandingsmotor niet printen. Voor de aandrijving week Backus uit naar de Amerikaanse sloop. Hij vond een 5,7-liter LS1 V8-motor uit een Chevrolet Corvette C5. Omdat een standaard V8 niet exotisch genoeg is voor een auto met vleugeldeuren, schroefde hij er twee turbo's op. Het resultaat is een vermogen van ongeveer 600 pk.
Om dat geweld op de achterwielen te krijgen, gebruikte hij een versnellingsbak van een Porsche 911 (type 996). Het is een Frankenstein-creatie van de buitencategorie. Italiaanse looks, Amerikaanse spierballen en Duitse aandrijftechniek. En dat alles gebouwd in een schuurtje.
Lamborghini keek mee
Je zou verwachten dat Lamborghini direct een leger advocaten op hem afstuurt. Italianen zijn doorgaans niet gecharmeerd van replica's. Maar Backus kreeg geen dagvaarding, hij kreeg een cameraploeg.
Lamborghini was zo onder de indruk van de passie en technische kunde, dat ze vader en zoon uitnodigden om mee te werken aan hun kerstcampagne. Ze ruilden zijn projectauto zelfs tijdelijk om voor een echte Aventador zodat hij erin kon rijden.
De auto, die hij de Interceptor noemt, is inmiddels een internetfenomeen. Op shows trekt hij meer bekijks dan de echte supercars. Er werd zelfs een bod van 100.000 dollar op de auto uitgebracht. Voor de meeste mensen zou dat de deal van de eeuw zijn: vijf keer je inleg terugverdienen. Maar Backus weigerde resoluut.
Onbetaalbare emotie
Zijn reden is simpel en ontroerend. Het gaat niet om het geld of de auto. Het gaat om het proces. De duizenden uren die hij samen met zijn zoon aan het project heeft gewerkt, de problemen die ze hebben opgelost en de kennis die ze hebben opgedaan zijn onbetaalbaar.
De auto is nu niet alleen een rijdend bewijs van wat je met doorzettingsvermogen kunt bereiken, maar ook een educatief project. Backus bezoekt scholen om kinderen te enthousiasmeren voor techniek (STEM).
Zijn boodschap is helder: je hoeft geen miljonair te zijn om in een supercar te rijden. Je moet alleen een beetje geduld hebben, heel veel filament en een vader die net zo gek is als jij.