Het project begon met de aanschaf van drie geavanceerde Bambu Lab H2S 3D-printers. In plaats van een kleinschalig model te maken, besloot Lake de auto op ware grootte te produceren, te beginnen met misschien wel het meest complexe aerodynamische onderdeel: de voorvleugel. Deze werd opgesplitst in 38 afzonderlijke stukken om op de printbedden te passen.
Het printen van uitsluitend de voorvleugel nam ruim 175 uur in beslag en verbruikte negen kilo aan PETG-plastic, wat neerkwam op een materiaalprijs van slechts 158 dollar. Om de geprinte secties muurvast aan elkaar te bevestigen, gebruikte Lake een combinatie van plasticlassen met een soldeerbout, verhitte metalen nietjes en krachtige industrielijm. De uiteindelijke vleugel kreeg een indrukwekkende spanwijdte van bijna twee meter, exact de maatvoering van een moderne F1-auto.
Een buizenframe en V10-geluid
Hoewel de plastic carrosserie indrukwekkend is, kan een auto van PETG natuurlijk niet op eigen kracht rijden. Daarom wordt het geprinte koetswerk in een latere fase over een op maat gemaakt stalen buizenchassis geplaatst. Dit is cruciaal voor de structurele stijfheid, zeker omdat Lake de ambitie heeft uitgesproken om met de voltooide wagen te gaan driften. Ook wordt de plastic buitenkant nog versterkt met een laag glasvezel om de aerodynamische krachten op het circuit te kunnen weerstaan.
De aandrijving blijft voorlopig nog even geheim, maar Lake is duidelijk over zijn wensen. Hij wil de looks van een moderne 2026-auto combineren met het snerpende geluid van de klassieke Formule 1-tijdperken. Een motorfietsblok is wat hem betreft uitgesloten; hij is momenteel op zoek naar een volwaardige automotor die de show steelt. De volgende stap in de reeks is het printen van de monocoque, een enorme puzzel die uit meer dan tweehonderd afzonderlijke 3D-geprinte onderdelen zal bestaan.