Achtergrond

Waar of niet waar: verdient de overheid meer als de brandstofprijzen stijgen?

Het is een van de meest hardnekkige frustraties aan de pomp. Terwijl de literprijs door geopolitieke spanningen richting de drie euro kruipt overheerst bij veel automobilisten het gevoel dat de Rijksoverheid lachend de schatkist vult. Maar is de staat wel echt de grote winnaar van een oliecrisis? Een diepe duik in de cijfers van het Centraal Planbureau laat zien dat de werkelijkheid precies omgekeerd is.

Jesper Penninga
benzineprijs
belastingen
Waar of niet waar: verdient de overheid meer als de brandstofprijzen stijgen?

Binnen het publieke debat circuleert al decennia de stelling dat de overheid een directe financiële begunstigde is van stijgende brandstofprijzen. De logica achter deze aanname is simpel.

Omdat de Belasting Toegevoegde Waarde (btw) een percentage van eenentwintig procent is over de totale pompprijs zou een hogere literprijs automatisch leiden tot fors hogere inkomsten voor de schatkist.

Op het strikte microniveau van een individuele particuliere tankbeurt klopt dit wiskundige mechanisme inderdaad. Wanneer de inkoopprijs van olie stijgt en de benzine aan de pomp tien cent duurder wordt ontvangt de staat mechanisch gezien ruim twee cent extra btw per liter. Toch is deze redenering vanuit een macro economisch perspectief zwaar misleidend en zelfs feitelijk onjuist.

De Nederlandse staat is voor haar inkomsten namelijk fundamenteel afhankelijk van de accijnzen en niet van de btw. In tegenstelling tot de btw is de accijns een vaste verbruiksbelasting die uitsluitend wordt geheven over het volume en niet over de prijs.

Of een liter benzine nu anderhalve euro of drie euro kost de staat ontvangt exact hetzelfde bedrag aan accijns per getankte liter. Zodra de prijzen aan de pomp een psychologische grens overschrijden passen automobilisten hun gedrag aan.

Men gaat minder rijden vaker thuiswerken of massaal de grens over om in Duitsland of België te tanken. Elke liter die hierdoor niet in Nederland wordt verkocht zorgt voor een direct en onherstelbaar gat in de accijnsopbrengsten dat door de marginale btw winst op geen enkele manier kan worden gecompenseerd.

De illusie van de btw winst

De vermeende winst op de btw is bovendien grotendeels een papieren tijger. Voor de zakelijke markt die een enorm aandeel heeft in het totale brandstofverbruik levert een hogere prijs de overheid zelfs nul euro extra op.

Ondernemers en transportbedrijven kunnen de betaalde btw namelijk volledig aftrekken als voorbelasting. Sterker nog de substantieel hogere inkoopkosten drukken de winstmarges in de logistieke sector aanzienlijk.

Lagere bedrijfswinsten leiden op termijn direct tot lagere inkomsten voor de staat uit de Vennootschapsbelasting. Wat de overheid aan de ene kant denkt binnen te halen via de btw verliest zij aan de andere kant via de krimpende winsten van het bedrijfsleven.

Daarnaast moet men rekening houden met het verdringingseffect binnen het huishoudboekje van de consument. Het besteedbaar inkomen van een gemiddeld gezin is op de korte termijn beperkt.

Als een huishouden maandelijks vijftig euro extra kwijt is aan de pomp om naar het werk te kunnen rijden kan dit kapitaal niet meer worden uitgegeven in andere sectoren zoals de horeca of de retail.

Aangezien op vrijwel alle andere goederen en diensten ook btw wordt geheven verschuift de belastingopbrengst voor de overheid simpelweg van de ene sector naar de andere. Er is dus geen sprake van een absolute toename in de inkomsten voor de staat maar enkel van een sectorale verschuiving die de economische groei elders juist afremt.

De enorme kosten van koopkrachtreparatie

De harde politieke werkelijkheid is dat een overheid stijgende brandstofprijzen niet kan negeren omwille van een kleine btw meevaller. Wanneer de prijzen tot maatschappelijk onacceptabele hoogtes stijgen wordt de druk vanuit de samenleving onhoudbaar.

De staat functioneert dan als de ultieme verzekeraar die miljarden moet uittrekken voor inkomenssteun en noodgrepen. Dit zagen we op grote schaal in 2022 toen het kabinet de accijnzen tijdelijk met eenentwintig procent verlaagde om de koopkracht van burgers te stutten. Deze reparatiepakketten kosten de schatkist vele miljarden euro’s en overschaduwen in elk denkbaar scenario de theoretische btw winsten.

Tot slot functioneren extreem hoge prijzen voor fossiele brandstoffen als de krachtigste katalysator voor de energietransitie. Hoe sneller het nationale wagenpark door de vrije markt elektrificeert als vlucht uit de dure olie hoe heviger de permanente erosie van de belastinggrondslag optreedt.

Over de levering van elektriciteit via laadpalen wordt namelijk geen zware brandstofaccijns geheven. De conclusie van experts is dan ook eenduidig. De Rijksoverheid is geen spekkoper bij een olieprijs die door het dak gaat. De staat profiteert juist het meest van een stabiele en gematigde brandstofprijs waarbij het tankvolume hoog blijft en de nationale economie niet wordt verstikt door torenhoge energiekosten.