Het klonk als een logisch plan van de Spaanse DGT (Dirección General de Tráfico). Jarenlang was het in Spanje een bureaucratische en dure lijdensweg om een oude auto als historisch te laten registreren. Het gevolg was dat veel automobiel erfgoed het land verliet of werd afgedankt. In 2024 voerde Spanje daarom een nieuw reglement voor historische voertuigen in. De procedure werd online, veel makkelijker en aanzienlijk goedkoper (een officiële tasa van krap 21 euro voor voertuigen die al in Spanje geregistreerd zijn).
De versoepeling was een doorslaand succes. Volgens cijfers van de DGT explodeerde het aantal historische voertuigen in een jaar tijd van 48.000 naar 175.753 op 1 oktober 2025. Maar die gigantische stijging legt nu wel een gevoelig pijnpunt bloot in steden die worstelen met de handhaving van hun Zonas de Bajas Emisiones (ZBE).
Niet zomaar een oude rammelbak
Spaanse media slaan regelmatig alarm en wijzen kritisch op slecht onderhouden dertig jaar oude diesels die ineens een historische 'H'-sticker op de ruit hebben. Toch is de vrees dat het systeem compleet wagenwijd openstaat voor elke willekeurige oude auto overdreven.
Om in aanmerking te komen voor een Spaanse historische registratie moet een voertuig weliswaar minimaal dertig jaar oud zijn, maar dat is niet de enige eis. Het type mag niet meer geproduceerd worden en de auto moet in originele staat verkeren (geen fundamentele wijzigingen aan hoofdcomponenten). Ook eist de DGT een correcte staat van onderhoud en conservatie, en moet het voertuig beschikken over een geldige Spaanse APK (ITV). De DGT is dus geen loket waar je zomaar een vrijbrief haalt voor een verwaarloosde stationwagon uit 1993.
De mythe van de 96 dagen
Waar het Spaanse debat momenteel vooral spaak loopt, is in de details van de regelgeving. Een hardnekkig misverstand in de lokale media is dat eigenaren van een historisch voertuig maximaal 96 dagen per jaar een milieuzone in mogen rijden.
Dat klopt simpelweg niet. De officiële DGT-regels stellen dat het gebruik van een historisch voertuig in de basis 'occasioneel' moet zijn en over het gehele jaar de grens van 96 dagen niet mag overschrijden. Die restrictie geldt dus voor het algemene gebruik op álle wegen, en is niet specifiek een ZBE-limiet. De intentie van de wetgever is helder: het mag niet je dagelijkse woon-werkauto zijn.
De echte valkuil: het is aan de gemeenten
De echte onzekerheid zit in de handhaving op lokaal niveau. De soepelere historische registratie vergroot logischerwijs de druk op lokale ZBE-regels. De DGT dwingt nergens af dat historische voertuigen automatisch welkom zijn in de milieuzones, maar geeft gemeenten wel de expliciete ruimte om dit zelf te faciliteren.
Hier ontstaat de lappendeken. Madrid is daar een concreet voorbeeld van. De Spaanse hoofdstad hanteert een forse milieuzone (inclusief het strengere Distrito Centro), maar laat historische voertuigen daar expliciet wél toe, waarbij de gemeente de status ambtshalve op kenteken controleert. Omdat de landelijke DGT-procedure voor historische status veel eenvoudiger en goedkoper is geworden, bepalen de Spaanse steden in de praktijk zelf hoeveel ruimte ze historische voertuigen in hun milieuzones geven.
Nederland trekt de grens strakker
Dat het ook anders kan, bewijst de Nederlandse aanpak. Waar Spanje inzet op een leeftijdsgrens van 30 jaar (gecombineerd met eisen rondom gebruik en originaliteit), pakt Nederland het anders aan.
Nederland legt de vrijstellingslat in elk geval hoger: oldtimeruitzonderingen beginnen hier doorgaans pas bij 40 jaar. In Nederland begint de oldtimeruitzondering doorgaans pas bij 40 jaar; in zero-emissiezones speelt die vrijstelling vooral bij bestel- en vrachtauto’s. Door deze harde grens te hanteren, legt Nederland de vrijstellingslat duidelijk hoger. Spanje heeft zijn cultureel auto-erfgoed gered met een veel goedkopere en eenvoudiger procedure, maar zadelde de lokale burgemeesters wel op met een lastig handhavingsvraagstuk.