Achtergrond

Nederland had ooit regionale kentekens, maar het werkte heel anders dan je denkt

De gele Nederlandse kentekenplaat oogt anoniem naast de herkenbare regiocodes in Duitsland. Wat veel mensen echter niet weten, is dat Nederland zelf ook een regionaal kentekensysteem kende.

Jesper Penninga Leestijd 2 minuten
autogeschiedenis
kentekenplaat Nederland
RDW
Nederland had ooit regionale kentekens, maar het werkte heel anders dan je denkt

Wie over de grens in Duitsland rijdt, ziet aan een kenteken vaak direct waar een auto vandaan komt. Een B voor Berlijn, een M voor München of een K voor Keulen geeft het verkeer onmiddellijk een stukje regionale identiteit. Het roept bij Nederlandse automobilisten weleens de vraag op waarom wij uitsluitend anonieme gele platen hebben. Wat veel mensen op het hedendaagse asfalt niet weten, is dat Nederland wel degelijk een flinke periode met een regionaal kentekensysteem heeft gewerkt.

Dat historische systeem werkte echter heel anders dan de herkenbare stedenafkortingen van onze oosterburen. In plaats van steden te gebruiken, deelde de Nederlandse overheid vanaf 1 januari 1906 de kentekens uit per provincie. De uitgifte liep in die tijd simpelweg via de provincie waarin de eigenaar van het voertuig woonde.

Een persoonsgebonden plaat in donkerblauw

Het systeem kende een cruciaal verschil met de moderne gele platen. Een kenteken was destijds niet gekoppeld aan het chassisnummer van een voertuig, maar uitsluitend aan de persoon die het aanvroeg. De bestuurder ontving een nummerbewijs op naam. Kocht je een nieuwe auto, dan schroefde je de kenmerkende donkerblauwe platen met witte letters en cijfers onder je oude wagen vandaan en nam je ze mee naar je nieuwe bolide.

De letters op de kentekenplaten correspondeerden met de provincie, al was de logica daarachter anders dan veel mensen nu zouden verwachten. Wie denkt dat Groningen destijds de letter G had, zit mis. Het noorden kreeg de letter A toegewezen. De G was gereserveerd voor de inwoners van Noord-Holland, terwijl buurprovincie Zuid-Holland het moest doen met de letter H. Toen het aantal auto’s langzaam maar zeker groeide, liepen vooral de drukke provincies tegen de grenzen van dit lettersysteem aan. In Zuid-Holland waren al snel extra lettercombinaties, zoals HZ, nodig om nieuwe voertuigen nog van een kenteken te kunnen voorzien.

De overstap naar een landelijk systeem

Uiteindelijk sneuvelde het provinciale systeem na de Tweede Wereldoorlog. Het verkeer beperkte zich steeds minder tot de eigen regio en auto's overschreden dagelijks de provinciegrenzen. Een systeem waarbij registratie en toezicht per provincie en per persoon versnipperd waren, bleek administratief en logistiek steeds lastiger handhaafbaar voor de politie en de fiscus.

In 1951 werd daarom de basis gelegd voor een nieuw, landelijk systeem waarbij het kenteken onlosmakelijk verbonden werd aan het voertuig in plaats van aan de bestuurder. Het nieuwe systeem bood duidelijke praktische voordelen. Het maakte voertuigen landelijk beter traceerbaar, vereenvoudigde de belastinginning en sloot beter aan op een verkeer dat allang niet meer binnen provinciegrenzen bleef. In 1956 verdween de allerlaatste donkerblauwe provinciale plaat uit het Nederlandse straatbeeld.

Of Nederland vandaag de dag opnieuw iets aan een regionaal kentekensysteem zou hebben, is maar de vraag. In een groot en uitgestrekt land als Duitsland is een dergelijke regiocode logisch en praktisch. In een compact, dichtbevolkt land als Nederland levert een neutrale, landelijke plaat waarschijnlijk meer eenvoud op dan een systeem dat regionale identiteit opnieuw zichtbaar maakt.