Algemeen

Wat kost een camper echt in 2026? Vooral deze vaste lasten slopen je budget

Een camper lijkt de ultieme hack voor goedkope vakanties: geen dure hotels en je eigen keuken mee. Maar wie denkt dat deze manier van reizen vanzelf goedkoop is, komt in 2026 bedrogen uit. Achter de belofte van vrijheid gaat een harde rekensom schuil. Vooral de verborgen vaste lasten maken een eigen camper duurder dan veel beginners denken.

Redactie Autobahn Leestijd 2 minuten
Campers
Buscamper
camper kopen
Kamperen
Wat kost een camper echt in 2026? Vooral deze vaste lasten slopen je budget

Verouderde koopwijzers spreken vaak nog over leuke instapbusjes voor twintig mille, maar de realiteit is inmiddels compleet anders. Volgens de ANWB stap je tegenwoordig pas vanaf ongeveer 50.000 euro in een gloednieuwe, zeer basic camper. Wil je een beetje leefruimte en luxe, dan kom je al snel op 80.000 euro of meer uit. In een ANWB-voorbeeld staat een doorsnee halfintegraal zelfs op 88.000 euro in de showroom. En dan heb je er nog geen meter mee gereden.

Stilstaan kost duizenden euro’s

De echte financiële pijn zit vaak niet in de vakantie zelf, maar in de overige 49 weken van het jaar. Om te beginnen is de overheid aanzienlijk minder coulant geworden. Sinds 1 januari 2026 is het voordelige kwarttarief in de motorrijtuigenbelasting voor campers vervangen door het halftarief. Juist bij zware voertuigen hakt dat direct in op de vaste lasten.

Daarnaast is er de stalling. Camperclub NKC rekent op 50 tot 100 euro per strekkende meter, wat bij een flinke gezinscamper stevig kan oplopen. Regulier onderhoud en keuringen kosten gemiddeld 750 tot 1.500 euro per jaar. De ANWB schrijft bovendien dat de vaste lasten in stilstand, inclusief verzekering, al snel op 3.000 tot 6.000 euro per jaar uitkomen.

In een ouder ANWB-rekenvoorbeeld komt een halfintegraal van 88.000 euro uit op 8.425 euro per jaar, maar dat bedrag is gebaseerd op prijsniveaus uit 2022. Door de hogere MRB in 2026 ligt die rekening nu waarschijnlijk eerder hoger dan lager. Dat maakt ook duidelijk waarom de vakantie zelf lang niet altijd de duurste post is.

Duurder dan je denkt, ook onderweg

Uiteraard bespaar je op hotelovernachtingen, maar een campervakantie is zelden gratis. Brandstofkosten liggen hoog, simpelweg omdat campers groot, zwaar en aerodynamisch allesbehalve ideaal zijn. Ook slaapplekken tikken aan. De NKC berekent dat een reguliere campingplek voor twee personen inclusief stroom al snel 30 tot 50 euro per nacht kost. Soberdere camperplaatsen zitten doorgaans op 10 tot 20 euro per etmaal.

Een extra verborgen drempel is bovendien het gewicht van je rijdende huis. Met een regulier B-rijbewijs mag je maximaal 3.500 kilo besturen. Bij grotere campers komt die grens al snel in zicht, waardoor je goed moet opletten of rijbewijs B nog volstaat. Sinds 1 juli 2025 geldt in Nederland weliswaar een uitzondering tot 4.250 kilo, maar de RDW verbindt daar strikte voorwaarden aan. Die oprekking geldt alleen voor voertuigen die niet volledig door benzine of diesel worden aangedreven, zonder aanhanger en met minimaal twee jaar rijervaring.

Wie alles eerlijk bij elkaar optelt, komt tot een vrij nuchtere conclusie. Een camper kan een prachtige manier van reizen zijn, maar goedkoop bezit is het zelden. Voor de gemiddelde zomervakantieganger kan huren daardoor een veel logischere keuze zijn dan kopen. Zeker als je de hoge aanschaf, vaste lasten en afschrijving meeneemt in plaats van alleen naar de bespaarde hotelnachten te kijken.