Wie de afgelopen tijd naar de veilingmarkt keek, zag iets opvallends gebeuren. De absolute topprijzen zijn niet langer exclusief gereserveerd voor auto’s met spaakwielen en carburateurs. Moderne supercars en zeldzame homologatiespecials uit de jaren tachtig, negentig en nul schuiven steeds nadrukkelijker door naar dezelfde miljoenenklasse. Dat heeft weinig met leeftijd te maken, maar alles met de kopers.
De generatie die nu de portemonnee trekt, koopt simpelweg de auto’s terug die vroeger op hun slaapkamerposter hingen of in hun favoriete videogames zaten. Toch is de markt niet ineens een wildwestshow waarin alles met een turbo, spoiler of lage kilometerstand goud waard is geworden. Integendeel: kopers zijn juist selectiever geworden. De dagen dat middelmatige klassiekers automatisch meeliepen op de marktgekte, liggen achter ons.
Niet alles stijgt, en dat is maar goed ook
Dat de klassiekermarkt volwassener en kritischer is geworden, blijkt duidelijk uit de data. Volgens een recente marktanalyse van verzekeraar Hagerty over 2025 is de euforische post-covid-boom voorbij. Bijna 80 procent van de klassiekerwaarden bleef vorig jaar gelijk of daalde zelfs in prijs. Wie dacht snel rijk te worden met een doorsnee oldtimer, kwam dus bedrogen uit.
Toch was er wel degelijk groei te zien, maar dan in een andere hoek. De zogeheten Hot Hatch-modellen en auto’s uit het RADwood-tijdperk, grofweg de jaren tachtig en negentig, stegen flink in populariteit. Die verschuiving zie je ook terug in de Hagerty Bull Market List voor 2026. Daar staan geen obscure vooroorlogse modellen centraal, maar nadrukkelijk auto’s uit de moderne tijd. Denk aan de gillende V10 in de BMW M5 E60, de brute Corvette C6 Z06 en de Porsche Carrera GT, maar ook toegankelijkere helden zoals de Mazda MX-5 NB, Nissan Skyline R33 GT-R en Volkswagen GTI VR6.
De veilingzaal volgt de poster aan de muur
Op grote veilingen zie je die verschuiving inmiddels ook aan de bovenkant van de markt. Tijdens Rétromobile 2026 bracht een Ferrari 288 GTO uit 1984 bij Gooding Christie’s ruim 9,1 miljoen euro op, terwijl een Ferrari FXX K Evo uit 2018 bijna 7 miljoen euro haalde. Bij RM Sotheby’s ging een Ferrari Enzo uit 2004 voor ruim 8,1 miljoen euro weg en een F50 uit 1997 voor bijna 7,6 miljoen euro.
Dat betekent niet dat de oude garde verdwijnt. Een Ferrari 250 GT SWB California Spider uit 1960 bleef met ruim 14 miljoen euro gewoon de absolute topverkoop in Parijs. Ook klassieke iconen als de Mercedes-Benz 300 SL Gullwing blijven enorme bedragen opleveren. Maar de posterauto’s van latere generaties staan inmiddels wél in dezelfde miljoenenzaal.
Waarom leeftijd alleen niets meer zegt
Ouderdom alleen is niet genoeg meer, als dat ooit al zo was. Investeerders en verzamelaars betalen tegenwoordig voor het complete plaatje. Een auto moet zeldzaam zijn, een loepzuivere onderhoudshistorie hebben, in originele fabrieksspecificatie verkeren of een sterke racehistorie bezitten. Een lage kilometerstand en een beroemde eerste eigenaar kunnen zwaarder wegen dan het feit dat het kenteken toevallig vijftig jaar oud is.
De klassiekermarkt is simpelweg meeverhuisd met de tijd en de kopers. Een auto wordt pas echt waardevol wanneer hij op technisch, cultureel en emotioneel vlak een snaar raakt bij de mensen die nu het geld hebben om hun ultieme jeugddroom te realiseren. En voor de huidige generatie kapitaalkrachtige verzamelaars klinkt die droom niet altijd als een zescilinder met carburateurs uit de jaren vijftig, maar net zo goed als een jankende V10 uit de jaren 2000.