Eind jaren zeventig had Aston Martin een probleem: het imago was een tikje stoffig en de kas was nagenoeg leeg. Het antwoord van hoofdontwerper William Towns was de Bulldog, een futuristische wig op wielen die eruitzag alsof hij rechtstreeks uit een sciencefictionfilm was komen rijden. Met zijn vijf centraal geplaatste koplampen en vleugeldeuren was het geen auto, maar een statement. De missie was simpel: Aston Martin wilde de snelste productieauto ter wereld bouwen en de barrière van 200 mph (322 km/u) slechten.
De supercar die sneller moest zijn dan hij was
Onder de bizarre carrosserie lag een 5,3-liter V8 met twee turbo’s, goed voor zo’n 600 pk. Voor die tijd waren dat astronomische cijfers. De theoretische topsnelheid werd zelfs geschat op 237 mph, maar de praktijk bleek weerbarstiger. Tijdens een testrun op het MIRA-circuit in 1979 bleef de teller steken op ongeveer 191 mph.
Hoewel dat destijds bizar hard was, was het niet de beloofde 200 mph. Omdat de financiële situatie bij Aston Martin verslechterde, trok Victor Gauntlett na zijn aantreden in 1981 de stekker uit het project. De geplande kleine serie van vijftien tot twintig stuks kwam er nooit; de Bulldog bleef een eenzaam prototype en werd uiteindelijk verkocht aan een koper uit het Midden-Oosten.
7.000 uur voor een revanche
Decennialang bleef de Bulldog een voetnoot in de autogeschiedenis, tot de Amerikaanse verzamelaar Phillip Sarofim de auto kocht. Hij gaf Classic Motor Cars (CMC) in het Britse Bridgnorth een duidelijke opdracht: restaureer de Bulldog naar zijn oorspronkelijke glorie, maar zorg er vooral voor dat hij die verdomde 200 mph alsnog haalt.
Dit was geen eenvoudige poetsbeurt. De restauratie nam achttien maanden en maar liefst 7.000 manuren in beslag. Elk technisch detail werd aangepakt om te voorkomen dat de techniek uit 1977 bij een topsnelheidspoging in 2023 uit elkaar zou spatten. De zoon van de man die het project ooit stopzette, Richard Gauntlett, overzag het project als projectmanager. De cirkel was bijna rond.
Verlossing op een Schotse landingsbaan
Op 6 juni 2023 was het zover. De locatie: Machrihanish Airfield, een voormalige NATO-basis in Schotland met een landingsbaan die ooit zelfs als noodlocatie voor de Space Shuttle was aangewezen. Achter het stuur zat Darren Turner, drievoudig Le Mans-winnaar en fabrieksrijder voor Aston Martin.
Terwijl de V8 brulde zoals hij dat in 1979 had moeten doen, schoot de Bulldog over het beton. De uitslag: 205,4 mph (330,5 km/u). Na 44 jaar had de Bulldog eindelijk de belofte ingelost die Aston Martin ooit met hem had gedaan.
Meer dan alleen een getal
De run van de Bulldog is geen modern marketingpraatje zoals we dat zien bij nieuwe hypercars. Het is een zeldzaam stukje automotive gerechtigheid. De prestatie bewijst dat de techniek van toen het wel degelijk in zich had, maar dat het de auto simpelweg ontbrak aan tijd en geld.
De Bulldog is niet langer het prototype dat net niet snel genoeg was. Hij is nu de auto die ruim vier decennia nodig had om zijn gelijk te halen. Sommige dromen hebben blijkbaar gewoon een hele lange aanloop nodig.