Stellantis, het concern achter onder meer Fiat, Opel, Peugeot en Citroën, kondigt een nieuw ‘E-Car’-project aan: een compacte, volledig elektrische stadsauto voor Europa. De productie moet in 2028 van start gaan in de fabriek in het Italiaanse Pomigliano d’Arco, waar ook de Fiat Panda een lange geschiedenis heeft. Stellantis noemt nog geen definitieve modelnamen, maar zegt wel dat de nieuwe kleine EV onder meerdere merklabels moet verschijnen.
Daarmee grijpt het concern bewust terug op een oud Europees recept: kleine auto’s die betaalbaar, overzichtelijk en praktisch genoeg zijn voor dagelijks gebruik. Alleen is de opgave nu veel lastiger dan in de tijd van de klassieke Panda. Een moderne stadsauto moet elektrisch zijn, aan Europese eisen voldoen en toch goedkoop genoeg blijven voor kopers die geen SUV-budget hebben.
Waarom de kleine auto uit Europa verdween
Dat er nu met veel tromgeroffel een ‘betaalbare stadsauto’ wordt aangekondigd, is behoorlijk ironisch. De Europese auto-industrie heeft dit segment de afgelopen jaren niet alleen verloren, maar ook zelf minder aantrekkelijk gemaakt. Strengere veiligheidseisen, duurdere techniek, elektrificatiekosten en CO2-druk maakten kleine auto’s steeds moeilijker rendabel.
Fabrikanten kozen daarom vaker voor grotere modellen en SUV’s, waar de marges comfortabeler zijn. Het resultaat zie je inmiddels in bijna elke showroom: de goedkope Europese instapauto is langzaam uit beeld verdwenen. Reuters wijst ook op die combinatie van stijgende kosten en de zoektocht naar hogere marges als belangrijke reden waarom fabrikanten goedkope instapmodellen hebben verwaarloosd.
Brussel wil zijn eigen kei-car
De teloorgang van de kleine auto is inmiddels zo zichtbaar dat Brussel probeert bij te sturen. Het E-Car-project van Stellantis sluit aan bij de Europese discussie over kleine, betaalbare elektrische auto’s. De Europese Commissie presenteerde eind 2025 een Automotive Package waarin ook een nieuwe categorie voor kleine elektrische auto’s wordt genoemd, onder de Small Affordable Cars initiative. Die categorie gaat over elektrische voertuigen tot 4,2 meter lang.
Het idee doet denken aan de Japanse kei-car: een compacte auto die door zijn formaat en gebruiksdoel apart wordt behandeld. Europa kopieert dat model niet één op één, maar de gedachte is vergelijkbaar. Kleine, betaalbare auto’s moeten weer aantrekkelijk worden om te bouwen én te kopen. Tegelijk speelt er een tweede motief mee: Brussel wil voorkomen dat de onderkant van de EV-markt volledig wordt overgenomen door goedkope Chinese modellen.
De prijs is de belofte, maar ook het probleem
Volgens Reuters mikt Stellantis op een prijs rond de 15.000 euro, al komt dat bedrag van een bron rond het project en niet uit het officiële persbericht van Stellantis zelf. Dat verschil is belangrijk. Stellantis bevestigt wel de productieplaats, de timing en het idee van een betaalbare elektrische stadsauto, maar nog geen harde consumentenprijs, accugrootte, actieradius of laadsnelheid.
En precies daar zit de spanning. Een lage prijs klinkt aantrekkelijk, maar bij een elektrische auto bepalen de accu, actieradius, laadsnelheid, veiligheidsuitrusting en standaarduitrusting of hij in de praktijk bruikbaar is. Wordt dit een echte instapauto voor gewone kopers, of vooral een politiek symbool op wielen?
De ongemakkelijke veiligheidsvraag
Daar komt een netelig randje bij: veiligheid. Als betaalbaarheid in de nieuwe Europese categorie vooral wordt bereikt door eisen te vereenvoudigen, uit te stellen of jarenlang te bevriezen, stuiten fabrikanten direct op kritiek. De European Transport Safety Council waarschuwt dat kleine elektrische stadsauto’s juist in drukke stedelijke omgevingen rijden, tussen fietsers en voetgangers.
Dat maakt de discussie ingewikkelder dan “goedkope EV’s zijn goed nieuws”. Natuurlijk heeft Europa betaalbare elektrische auto’s nodig. Maar de vraag is wat er precies wordt ingeleverd om die prijs mogelijk te maken. Een goedkope stadsauto is pas echt een oplossing als hij betaalbaar blijft zonder een tweederangs veiligheidsklasse te worden.
Waarom dit voor Nederland uitmaakt
Voor Nederlandse kopers komt de discussie over een goedkope, lichte EV op een gevoelig moment. De SEPP-subsidie voor particuliere elektrische auto’s is definitief gesloten. Tegelijkertijd is het fiscale voordeel voor elektrische auto’s kleiner geworden: sinds 2026 betaal je voor een volledig elektrische personenauto 70 procent van het gewone MRB-tarief, in plaats van het eerdere kwarttarief.
Juist daarom wordt gewicht ineens weer belangrijk. De motorrijtuigenbelasting hangt in Nederland onder meer af van het gewicht van de auto, en veel elektrische SUV’s zijn door hun accupakket behoorlijk zwaar. Een lichte, simpele EV rond de 15.000 euro zou hier dus niet alleen een Europees industrieproject zijn, maar ook een veel realistischer instapmodel voor particulieren.
2028 is laat
Stellantis heeft met dit E-Car-project een strategisch sterk verhaal in handen, maar de tijdlijn blijft kritisch. Een productiestart in 2028 betekent dat deze reddingsboei voor de Europese stadsauto nog zeker een paar jaar op zich laat wachten. In de tussentijd staan Chinese budgetspelers en bestaande goedkope EV’s niet stil.
De vraag is daarom niet alleen of Stellantis technisch in staat is om een goedkope elektrische stadsauto te bouwen. De vraag is vooral of Europa snel genoeg is. Want als de betaalbare stadsauto pas terugkomt nadat andere merken dit deel van de markt al hebben veroverd, is de reddingsactie misschien netjes Europees, maar rijkelijk laat.