Conceptauto's zijn tegenwoordig vaak brave, elektrische studiemodellen die zich vooral richten op de nieuwste infotainmentsystemen en duurzame materialen. In de jaren negentig tapte de auto-industrie echter nog uit een heel ander, veel agressiever vaatje. Ford besloot in 1995 de autowereld op zijn grondvesten te laten schudden tijdens de autoshow in Detroit. Het resultaat was de Ford GT90, een hypercar die qua prestaties zijn tijd letterlijk tien jaar vooruit was en het merk Lamborghini en Ferrari in één klap degradeerde tot speelgoedbouwers.
De hoekige en vlijmscherpe GT90 werd ontworpen als de moderne en spirituele opvolger van de iconische GT40 uit de jaren zestig. Het opvallende uiterlijk was de eerste kennismaking met Fords zogeheten New Edge designtaal, een stijl die we later afgezwakt terugzagen in de eerste generatie Ford Focus. De agressieve driehoeken en scherpe vouwen gaven de hypercar het dreigende uiterlijk van een futuristische straaljager.
De ware waanzin van deze auto lag echter verscholen onder het glazen motorcompartiment. De ingenieurs kregen de simpele maar brute opdracht om de snelste en meest krachtige straatauto ter wereld te bouwen. Het team pakte simpelweg twee V8 motoren uit de Ford rekken, hakte er van beide twee cilinders af, en laste de boel aan elkaar tot een massieve 6.0 liter V12 motor.
Vier turbo's en kosmische hitte
Als een gigantische V12 niet genoeg is, dan voeg je gewoon een bizarre hoeveelheid drukvulling toe. Ford monteerde maar liefst vier forse Garrett turbo's op het blok. Het resultaat was een verpletterende 720 pk en ruim 890 Nm aan koppel. Dat klinkt vandaag de dag misschien indrukwekkend, maar midden in de jaren negentig waren dit absolute sciencefiction specificaties.
De theoretische prestaties waren dan ook ronduit beangstigend. De GT90 werd verondersteld in iets meer dan drie seconden de honderd kilometer per uur aan te tikken en pas te stoppen bij een krankzinnige topsnelheid van 378 km/u. Daarmee zou Ford tien jaar voor de komst van de illustere Bugatti Veyron al de absolute koning van de topsnelheid zijn geweest.
Al dit brute en ongetemde geweld bracht echter een gigantisch en onverwacht technisch probleem met zich mee. De enorme V12 motor en de vier stampende turbo's genereerden achterin de krappe motorruimte zoveel extreme hitte dat de kunststof carrosseriedelen van het studiemodel dreigden weg te smelten tot een treurig plasje plastic op het asfalt.
Hitteschilden uit de dampkring
De wanhopige Ford ingenieurs moesten halsoverkop op zoek naar een isolerend materiaal dat deze abnormale hitte kon weerstaan. Gewone hitteschilden uit de racerij boden simpelweg geen redding voor het unieke driehoekige uitlaatsysteem. De uiteindelijke oplossing werd gevonden in de absolute top van de luchtvaarttechniek.
Het team klopte aan bij de ruimtevaartorganisatie NASA en kreeg de beschikking over de keramische hitteschilden die normaliter werden gebruikt op de onderkant van de beroemde Space Shuttle. Deze geavanceerde tegels beschermen ruimteschepen tegen de gruwelijke hitte tijdens de snelle terugkeer in de dampkring. Ford plakte deze tegels vervolgens in het uitlaattraject en het motorcompartiment van de GT90, waardoor de peperdure carrosserie eindelijk beschermd was tegen zijn eigen gigantische vernietigingskracht.
Tot groot verdriet van iedere autoliefhebber bleef de GT90 steken in de conceptfase. Het prijskaartje van het project liep veel te hoog op en Ford zag uiteindelijk geen zakelijk verdienmodel in de krankzinnige hypercar. Toch bewijst de GT90 vandaag de dag nog steeds hoe ver fabrikanten in de wilde jaren negentig durfden te gaan en hoe een simpele Ford plotseling onderdelen van de Space Shuttle nodig had om niet levend te verbranden.