De cijfers zijn hard. Volgens een data-analyse van het Duitse Handelsblatt zakten de nieuwregistraties van het kernmerk BMW in China in de eerste vijf maanden van dit jaar naar ongeveer 195.000 stuks. Dat is het laagste niveau in minstens zes jaar, en voor het eerst sinds het coronajaar dook BMW er onder de grens van 200.000.
Om te zien hoe groot de val is, helpt een vergelijking. Nog maar drie jaar geleden stond de teller over dezelfde periode op zo'n 316.000 auto's. De verkoop ligt nu dus ruim 38 procent lager. In echt goede jaren verkocht BMW in China zelfs ruim 800.000 auto's. En dat raakt het hart van het bedrijf, want China was een van de grootste winstmakers. Volgens marktkenners kwam in goede tijden rond de 60 procent van de winst van Duitse premiummerken zoals BMW uit China.
Waarom BMW harder wordt geraakt dan de rest
Nu komt de wrange kern van het verhaal. De hele Duitse auto-industrie heeft het moeilijk in China, ook Audi en Mercedes zien hun verkoop dalen. Maar BMW voelt de pijn scherper, en dat komt door een keuze die ooit juist heel slim leek.
Sinds begin 2022 bezit BMW namelijk 75 procent van zijn Chinese joint venture, BMW Brilliance, een groter aandeel dan de concurrenten in hun samenwerkingsverbanden hebben. In de vette jaren was dat buitengewoon voordelig, want BMW mocht een groter deel van de dikke Chinese winst bijschrijven. Maar in magere jaren werkt datzelfde mechanisme genadeloos de andere kant op.
"In goede tijden was dat zeer voordelig. Nu draagt het concern daardoor juist zwaardere lasten dan concurrenten als Mercedes."
Omdat BMW de controle over de joint venture heeft, komen de Chinese verliezen direct en in volle omvang op de eigen balans terecht. Waar een concurrent met een kleiner aandeel de klap deels kan spreiden, krijgt BMW hem vol voor de kiezen. De cijfers laten dat zien: waar de Chinese tak in het recordjaar 2023 nog ruim 3,2 miljard euro winst na belasting opleverde, bleef daar vorig jaar nog maar 270 miljoen euro van over.
Klem tussen elektrisch en benzine
Het probleem heeft twee kanten die BMW tegelijk in de tang nemen. Aan de ene kant stort de verkoop van elektrische BMW's in China in. Vergeleken met 2023 zijn de registraties van volledig elektrische modellen met ruim 71 procent gekelderd. Chinese fabrikanten ontwikkelen sneller en verkopen tegen vechtprijzen waar de Duitsers niet tegenop kunnen, en bovendien liet de Chinese overheid de subsidies voor stroomauto's aflopen.
Je zou denken dat BMW dan kan terugvallen op zijn benzinemodellen, die nog altijd bijna 95 procent van de Chinese verkoop uitmaken. Maar juist daar dreigt nu ook een breuk. Door de oorlog met Iran en de daardoor gestegen brandstofprijzen kopen Chinese consumenten fors minder benzineauto's. In mei alleen al lag die verkoop volgens de Chinese brancheorganisatie dertig procent lager. BMW zit dus klem: de elektrische kant was al weggevallen, en nu wankelt ook de benzinepoot.
Een nieuwe klasse als laatste hoop
BMW zit intussen niet stil. Het bedrijf dunt zijn Chinese dealernetwerk uit, van zo'n 680 verkooppunten twee jaar geleden naar ongeveer 550 nu, en paste de productie in zijn Chinese fabrieken aan. Maar de echte hoop is op de toekomst gericht, op de zogenoemde Neue Klasse, een compleet nieuwe generatie elektrische modellen.
De eerste daarvan, de elektrische SUV iX3, trekt volgens BMW veel belangstelling, ook in China. De productie van de Neue Klasse in het Chinese Shenyang moet eind dit jaar op gang komen, en de voorverkoop start in de tweede helft van augustus, als ook de prijs bekend wordt. Of dat genoeg is om het tij te keren, moet blijken.
Voorlopig staat vast dat BMW's grootste succesverhaal van de afgelopen twintig jaar is veranderd in zijn grootste zorg, en dat de oplossing niet van vandaag op morgen komt. BMW is trouwens niet de enige Duitse gigant die worstelt, want ook bij Volkswagen vielen deze week ingrijpende maatregelen aan te kondigen.