Weinig mensen hebben de Corvette zo gevormd als Zora Arkus-Duntov, de in Europa geboren ingenieur en coureur die in de jaren vijftig zelfs klassewinst pakte op Le Mans. Hij zag in de Amerikaanse sportwagen meer dan een mooie straatauto: hij wilde er de Europese en Amerikaanse racetop mee verslaan.
Begin jaren zestig had hij een probleem met een naam: de Shelby Cobra. Die was lichter en sneller, en legde genadeloos de grootste zwakte van de Corvette bloot, namelijk gewicht. Arkus-Duntov begreep dat kleine verbeteringen niet zouden volstaan. Als Chevrolet Carroll Shelby op gelijke voet wilde verslaan, moest er iets radicaal anders komen.
In het geheim gebouwd, en meteen weer verboden
Het probleem was dat General Motors zich officieel had teruggetrokken uit de fabrieksracerij. Arkus-Duntov bouwde zijn wapen daarom grotendeels buiten het zicht van de directie, met stille steun van enkele bondgenoten binnen het bedrijf. Het resultaat leek alleen in silhouet nog op een gewone Corvette; vrijwel elk onderdeel was opnieuw ontworpen, met als enige doel snelheid.
Toen tijdens tests op Sebring uitlekte wat Chevrolet stiekem had gemaakt, was GM-topman Frederic Donner woedend. Zo'n fabrieksracer ging regelrecht in tegen het eigen beleid, en hij liet het programma direct stopzetten. Waar Arkus-Duntov een flinke serie had gepland, bleef het daardoor bij vijf exemplaren. Die vijf, waarvan de auto die nu te koop staat de eerste gebouwde coupé is, zouden de geschiedenis in gaan.
De Cobra-eters van Nassau
Officieel bestond het programma niet meer, maar Arkus-Duntov liet de auto's in het geheim doorontwikkelen en leende ze uit aan zorgvuldig gekozen privéteams. Het hoogtepunt kwam in december 1963 op de Bahamas Speed Week in Nassau. Daar verschenen drie van de Grand Sports, en ze werden meteen de sensatie van de paddock. Zelfs Carroll Shelby werd gefotografeerd terwijl hij nieuwsgierig om de mysterieuze Corvettes heen liep die zijn Cobra bedreigden.
Op de lange rechte stukken van Nassau bleken de Grand Sports te sterk voor de Cobra's. Ze rekenden er zo overtuigend mee af dat de auto's een bijnaam kregen die is blijven hangen: de "Snake Eaters", de slangeneters. De te koop staande auto was een van die drie en werd tweede in zijn klasse; de klassewinst ging naar een zustermodel. Maar de boodschap was duidelijk: de auto die Arkus-Duntov bijna tien jaar in zijn hoofd had gehad, deed precies waarvoor hij was bedoeld.
Een raket die zijn voorwielen optilde
De cijfers verklaren waarom. Waar een gewone Corvette uit 1963 zo'n 1.450 kilo woog, kwam de Grand Sport uit op ongeveer 860 kilo, dankzij een buizenframe, aluminium onderdelen en een flinterdunne kunststof carrosserie. In de huidige vorm levert de V8 ruim 600 pk. Coureur Delmo Johnson vatte het rijden ooit kernachtig samen:
"Als een dragster. De enige auto die ik ooit reed die in alle vier de versnellingen zijn voorwielen optilde."
Dat bruut geweld liet zich het mooist zien op Sebring in 1964, met een jonge A.J. Foyt achter het stuur. Na problemen in de kwalificatie moest hij als 62e van 66 starten. In één openingsronde haalde hij ongeveer vijftig auto's in, waarna de Corvette opklom tot de top tien. Techniek en pech samen hielden een topklassering tegen, maar de ronde zelf is legendarisch gebleven.
Waarom hij zeldzamer is dan een Ferrari
En zo werd juist het verbod van de directie de reden voor zijn huidige status. Doordat het programma bij vijf auto's werd stopgezet, is de Grand Sport tot op de dag van vandaag een van de zeldzaamste racewagens ter wereld. Er zijn er minder van dan van de Ferrari 250 GTO, waarvan er 36 bestaan, en minder dan van de zes Shelby Cobra Daytona Coupés. Voor een Amerikaanse auto is dat uitzonderlijk gezelschap.
Dat vertaalt zich in het prijskaartje. Veilinghuis RM Sotheby's schat de opbrengst op 11 tot 13 miljoen dollar, omgerekend zo'n 10 tot 12 miljoen euro. Definitief is dat pas na de veiling tijdens de Monterey Car Week in augustus; het gaat vooralsnog om een verwachting.
Wat verboden was, werd onbetaalbaar
Er zit een mooie ironie in dit verhaal. De directie van General Motors zag de Grand Sport als een probleem dat zo snel mogelijk de wereld uit moest. Precies dat besluit, om er de stekker uit te trekken bij vijf stuks, maakte de auto zeldzaam genoeg om zestig jaar later miljoenen waard te zijn.
De auto die niet had mogen bestaan, is uitgerekend daardoor onbetaalbaar geworden.