De discussie over het Chinese prijsvoordeel is in Duitsland inmiddels hoog opgelopen. Het Duitse Handelsblatt beschrijft hoe economen, politici en instituten lijnrecht tegenover elkaar staan over één cruciale vraag: houdt Peking zijn munt bewust goedkoop om Chinese bedrijven een extra exportvoordeel te geven, of is de zwakke renminbi vooral het gevolg van problemen binnen de Chinese economie zelf?
De Duitse bondskanselier Friedrich Merz liet er in juli weinig twijfel over bestaan. Volgens hem is de Chinese renminbi drastisch ondergewaardeerd en brengt China zwaar gesubsidieerde overcapaciteit naar Europa, waarbij hij de auto-industrie expliciet als voorbeeld noemde.
Dat klinkt als een helder verhaal: China houdt zijn munt goedkoop, exporteren wordt daardoor aantrekkelijker en Europese autobouwers moeten opboksen tegen kunstmatig lage prijzen. Ook in een eerder Autobahn-artikel over waarom Chinese auto's zoveel goedkoper zijn dan Duitse noemden we de zwakke munt als een van de factoren achter het prijsverschil.
Alleen krijgt precies die verklaring nu tegenwind uit een opvallende hoek. Zoals Handelsblatt signaleert, komt die tegenwerping uitgerekend uit de Verenigde Staten. Het Amerikaanse ministerie van Financiën onderzocht de vier kwartalen tot en met december 2025 en concludeerde dat geen enkele grote Amerikaanse handelspartner in die periode voldeed aan de Amerikaanse definitie van valutamanipulatie om een oneerlijk handelsvoordeel te behalen. China dus ook niet.
Ondergewaardeerd is niet hetzelfde als gemanipuleerd
Dat betekent niet dat Washington de Chinese munt plotseling normaal geprijsd vindt. China blijft op de Amerikaanse Monitoring List staan en het ministerie noemt de gebrekkige transparantie rond het Chinese wisselkoersbeleid expliciet een probleem. Bij nieuw bewijs dat Peking ingrijpt om een stijging van de renminbi tegen te houden, kan het Amerikaanse oordeel bovendien veranderen.
Het belangrijke verschil zit dus tussen onderwaardering en manipulatie. Een munt kan relatief goedkoop zijn zonder dat de overheid hem op dat moment doelbewust omlaag duwt voor extra exportvoordeel.
Het IMF wijst daarvoor op een andere verklaring. De Chinese binnenlandse vraag bleef in 2025 zwak en de gemiddelde inflatie kwam op ongeveer nul procent uit. Omdat prijzen in China veel minder hard stegen dan bij verschillende handelspartners, daalde de reële wisselkoers. Dat maakte Chinese producten internationaal relatief concurrerender en droeg volgens het IMF bij aan de sterke export. Daarvoor is geen directe valutainterventie nodig.
Bij staatssteun wordt het bewijs een stuk harder
Wie hieruit concludeert dat de beschuldigingen van oneerlijke Chinese concurrentie daarmee van tafel zijn, gaat te snel. Op een ander onderdeel is het beschikbare bewijs namelijk veel steviger.
De OESO bracht in juni een enorme database over industriële staatssteun naar buiten. De organisatie volgde 525 grote bedrijven in vijftien industriesectoren tussen 2005 en 2024. Chinese bedrijven ontvingen in die periode gemiddeld drie tot acht keer zoveel overheidssteun als bedrijven in OESO-landen.
Nog opvallender is het effect op marktaandeel. Bij Chinese bedrijven die wereldwijd marktaandeel wonnen, kan volgens het OESO-model bijna 60 procent van die groei worden verklaard door de subsidies die zij ontvingen. Dat betekent niet dat 60 procent van iedere Chinese auto door de staat wordt betaald, maar wel dat steun aantoonbaar invloed heeft op de concurrentiepositie van Chinese industriebedrijven.
Brussel grijpt bij auto's allang in
Voor de auto-industrie is dat meer dan een theoretische discussie. De Europese Commissie concludeerde na haar eigen onderzoek dat de Chinese productieketen voor elektrische auto's profiteerde van oneerlijke subsidiëring en dat dit Europese producenten schade dreigde te berokkenen.
Sinds eind 2024 gelden daarom extra compenserende importheffingen voor batterij-elektrische auto's die in China zijn gebouwd. Afhankelijk van de fabrikant en diens medewerking aan het Europese onderzoek lopen die tarieven van 7,8 tot 35,3 procent. Die maatregelen zijn in 2026 nog altijd van kracht.
Dat maakt het contrast interessant. Over de enorme Chinese staatssteun bestaat steeds meer meetbaar bewijs en Brussel heeft daar bij elektrische auto's al handelsmaatregelen aan gekoppeld. Maar bij de beschuldiging dat Peking zijn munt doelbewust laag houdt, is het beeld veel minder zwart-wit.
De druk op Europese auto's verdwijnt niet
Voor Volkswagen, BMW, Mercedes en andere Europese fabrikanten verandert dat onderscheid op korte termijn weinig. Chinese merken zijn technologisch veel sterker geworden, de thuismarkt is uiterst competitief en fabrikanten zoeken steeds nadrukkelijker klanten buiten China. Autobahn liet eerder al zien hoe een zwakkere Chinese thuismarkt de exportdruk richting Europa kan vergroten.
Voor de autokoper is de economische ruzie toch relevant. Als Europa de verkeerde oorzaak bestrijdt, kunnen handelsmaatregelen weinig oplossen en tegelijk auto's duurder maken. Richt Brussel zich op aantoonbare subsidies, dan ligt er al een juridisch onderzocht mechanisme. Behandelt Europa iedere goedkope renminbi automatisch als bewijs van manipulatie, dan wordt de basis een stuk minder stevig.
Het nieuwe Amerikaanse oordeel is dus geen vrijspraak voor het Chinese economische model. Het zegt iets veel specifiekers: dat voor 2025 geen valutamanipulatie volgens de Amerikaanse criteria is vastgesteld. De goedkope Chinese auto blijft daarmee even reëel, maar de eenvoudige verklaring erachter begint behoorlijk te schuiven.