Vijf vreemde en obscure Dakar-prototypes

De iconische Dakar Rally staat weer voor de deur. Hoog tijd dus om even een kijkje te nemen in de geschiedenis naar vijf van de vreemdste en meest obscure voertuigen die voor de monsterrace gebouwd zijn.

Vijf vreemde en obscure Dakar-prototypes

1. Lada Samara T3 (1990)

Lada is misschien niet het eerste merk waar je aan denkt bij de Dakar Rally. Vooruit, een Niva zou zijn mannetje zeker kunnen staan in de productieklasse, maar bij de echte toppers vind je de Russen niet snel terug. Het moederland is immers veel beter in het bouwen van oersterke racetrucks.

Toch stond Lada al in 1990 aan de start met een heus Dakar-prototype, losjes gebaseerd op populaire Golf-rivaal Samara. Zeer losjes. In tegenstelling tot de obscure Group B prototypes een paar jaar eerder had de Samara T3 namelijk helemaal niets gemeen met het productiemodel, afgezien van de lampen. Onderhuids was de auto namelijk niets minder dan een Porsche 959, de winnaar van de rally van 1986.

Uit vrees voor een mogelijk verbod op turbomotoren werd de 400 pk sterke 2,9 twin turbo zescilinder boxer van de 959 Rally vervangen door een natuurlijk ademende 3.6 uit de 964. Met een beetje hulp van een Amerikaanse Porsche-specialist werd het vermogen opgeschroefd van 250 naar 300 pk.

Dat werk bleek echter allemaal voor niets te zijn. Onder druk van Peugeot - dat de drie voorgaande rally's met turbo's gewonnen had - werd het voorgestelde verbod toch van tafel geveegd. Als gevolg daarvan kwam de Samara T3 flink tekort op de Franse concurrentie. Peugeot wist in 1990 opnieuw te winnen, waarna zustermerk Citroën het stokje overnam. Jacky Ickx pakte de zevende plek voor de auto die officieel als Lada 210910 te boek stond. Tambay herhaalde dat kunstje in 1991.

2. Renault 5 6x6 (1980)

Méér is niet altijd beter, maar vaak wel leuker. Dat was schijnbaar de filosofie van Franse knutselaar Christian de Léotard. Met behulp van 4x4 specialisten Sinpar creëerde de Fransman een wel heel bijzondere variant van de populaire Renault 5. Het stadsautootje werd met bijna een meter verlengd, 180 kilo zwaarder en voorzien van een extra as. Voor de aandrijving zorgde een 1,4 liter viercilinder met 93 pk, bekend van de R5 Alpine hot hatch.

Het vermogen werd via een Sinpar-systeem naar de eerste achteras geleid, maar bij de tweede werd de aandrijving verzorgd door een hydrostatisch systeem. Hierbij word een hydraulische pomp aangedreven, die vervolgens met de druk van de vloeistof een hydraulische motor in beweging brengt. Volgens De Léotard bood dit systeem - bekend uit de landbouw en bouwindustrie - meer flexibiliteit dan een traditionele aandrijflijn.

Helaas kreeg de 5 6x6 niet echt de kans de claims van zijn maker te bewijzen. Bij de Paris-Dakar Rally van 1980 kregen Christian de Léotard en navigator Francis Dumortier al vroeg te maken met mechanische problemen. Op aansporing van sponsor Marantz (een stereofabrikant) besloot het duo het rustig aan te doen en zich buiten het klassement te laten vallen. De grote kleine Renault wist het beroemde strand in Senegal uiteindelijk toch te bereiken. Een Renault 4 met het standaard Sinpar-systeem werd dat jaar derde.

Na het relatieve succes van de Dakar-special ging De Léotard vrolijk door met 6x6-conversies. Het kroonstuk van zijn collectie werd uiteindelijk een R5 Turbo 6x4, met een Alpine motor in de neus en een turboblok in het midden.

3. Mercedes-Benz NG 1932 AK met oplegger (1985)

Racetrucks zijn in de Dakar Rally heel normaal. De krachtige kolossen van DAF, Iveco, Tatra en Kamaz vermaken fans immers al decennia. Een truck compleet met trailer komt om overduidelijke redenen niet voor. In 1985 was dat echter anders. Het team van Francoise Morcrette, Alain Guilmeau en Flavien Malguy verscheen namelijk aan de start met een Mercedes mét oplegger.

De vierwielaangedreven NG 1932 AK had in 1981 en 1984 al meegestreden, en tussendoor dienst gedaan als servicewagen. Onder de vleugels van zijn nieuwe eigenaren werd de truck echter voorzien van een heuse fullsize trailer. De aanhanger werd echter niet zomaar meegesleept bij de loodzware rally. Net als bij de bovengenoemde Renault 5 6x6 werd het ding voorzien van een hydrostatische aandrijving op de enkele achteras.

Met een vrouw achter het stuur en een oplegger nam niemand de bijzondere machine serieus. Afgezien van een paar kinderziektes met de aandrijving van de oplegger kon het team echter goed meekomen. Toen er bij een servicepunt geen brandstof aanwezig bleek te zijn werden Morcrette en co echter het klassement uit gewerkt. De Mercedes-crew zette ondanks alles door en wist de rally alsnog te finishen.

4. Jules II Proto 6x4 (1984)

De Jules II lijkt zo weggereden te zijn uit een low-budget scifi-film of een Italiaanse Mad Max-imitatie, maar in 1984 was de Jules II een serieuze speler. De unieke machine was het geesteskind van Franse lefgozer Thierry de Montcorgé, de man die in 1981 een Rolls Royce Corniche naar Senegal gereden had. Die auto was in werkelijkheid een Toyota Landcruiser met een Chevrolet V8 en een glasvezel body, maar dat mocht de pret niet drukken. De auto kreeg de bijnaam Jules vanwege de sponsoring van parfummerk Dior.

Als vervolg op de offroad Roller liet De Montcorgé zich kennelijk inspireren door Blade Runner en aanverwanten. Jules II werd op een speciaal buizenframe gebaseerd, met de Chevy V8 nu in het midden en gekoppeld aan een Porsche versnellingsbak. De futuristische bolide was bedoeld voor een revival van de moordende Peking to Paris-rally, maar toen deze niet gerealiseerd werd schreef Thierry zijn creatie in voor de Paris-Dakar van 1984.

In tegenstelling tot de originele Jules bleek nummer twee echter niet sterk genoeg voor het harde woestijnleven. Al in de Algerijnse woestijn scheurde het chassis, waardoor het team van De Montcorgé en navigator Jean-Pierre Nicolle op moest geven.

5. Venturi 260 Atlantique Paris-Dakar (1992)

Oke, dit is misschien een beetje valsspelen, want de Venturi wist de start van een rally nooit te halen. Toch wilden we je deze obscure offroad supercar niet onthouden. In de vroege jaren '90 probeerde het kleine Franse sportwagenfabriekje Venturi hogerop te komen. Het merk was in 1984 ontstaan en begon na meerdere concept cars in 1987 met de productie van sportwagens met de PRV V6 in het midden. Met de in 1991 verschenen 260 Atlantique hoopte Venturi definitief een vuist te kunnen maken naar concurrenten als Ferrari en Porsche.

Een bewezen methode om je reputatie op te bouwen als sportwagenmerk is uiteraard de racerij. Dat is dan ook precies wat coureur Jean-Louis Maigret voorstelde aan Venturi CEO Xavier de la Chapelle. Maigret had echter een heel ander discipline voor ogen dan je zou verwachten. De Fransman had vanwege een serie Dakar-deelnames met een Peugeot P4 (de Franse Mercedes G-klasse) de nodig ervaring met de PRV V6, en stelde voor een Dakar-prototype op basis van de 260 Atlantique te bouwen. Maigret kreeg enthousiast bijval van de Japanse Venturi-importeur, maar het idee werd niet opgepakt door de directie.

Toenmalig Venturi-eigenaar Didier Primat had een veel groter project in het vizier vanwege gesprekken met Formule 1-team Larrousse, maar stond toch toe dat een klein clubje enthousiastelingen alsnog aan de Dakar-machine gingen werken. Een 260 Atlantique werd grondig aangepakt met verstevigingen, offroad-ophanging en een unieke body, maar de aandrijflijn bleef ongemoeid.

De 260 pk sterke 2,8 liter turbo V6 dreef nog altijd alleen de achterwielen aan. Plannen voor een vierwielaandrijvingsyssteem gekoppeld aan een 350 pk sterke tweeliter turbo viercilinder uit de Renault 21 werden nooit gerealiseerd. Vanwege het groene licht voor het F1-project in 1992 werd er immers verder geen werk uitgevoerd aan het Dakar-prototype.

De auto werd lange tijd aan zijn lot overgelaten, maar werd in 2004 opnieuw met open armen ontvangen bij Venturi. Op aansturen van nieuwe eigenaar Gildo Pallanca Pastor werd er een volledige restauratie uitgevoerd en kreeg de Dakar-machine een 300 pk sterke drieliter twin turbo V6 mee.

Cargasm
  • Lada, Renault, Dakar Rally, Venturi